Banner Analyse Sijbrands - Schotanus

Damkunst

Sijbrands - Schotanus
Hier komt een fotobijschrift.
Foto: Archief Ton Sijbrands

Sijbrands - Schotanus

Auteur: Ton Sijbrands
28-02-2026

In mijn eerste bijdrage aan Damkunst had ik al geschetst hoe de prilste jaren van mijn damcarrière ongeveer verlopen waren. Al zou dat zelfstandig naamwoord eigenlijk tussen aanhalingstekens behoren te staan, want op die leeftijd heb je er meestal nog geen idéé van dat je zoiets als een “carrière” aan het opbouwen bent. Tenslotte ‘zat’ ik rond diezelfde tijd ook op voetbal (Ajax!), op gitaarles (Frans van Norden!), op meerdere koren (waaronder het jongenskoor dat bij de jaarlijkse Matthäus-uitvoeringen in actie kwam) en op padvinderij, en zoals bekend ben ik géén voetballer, gitarist, zanger of Scout geworden. Voor hetzelfde geld was ook die ‘dammerij’ van mij met een sisser afgelopen. Maar nee, dus.

In vogelvlucht: rond mijn negende (of tiende) had ik, dankzij mijn ouders, kennisgemaakt met het damspel; vlak na mijn elfde verjaardag was ik lid geworden van de jeugdafdeling van de Christelijke Damvereniging Amsterdam; een maand of drie later (14 april 1961) speelde ik op de CDA-clubavond mijn eerste ‘officiële’ partij, dus inclusief klok en verplicht noteren; en in maart 1963 had ik, op aanraden van mijn mentor R.C. Keller, mijn lidmaatschap van CDA verruild voor dat van Gezellig Samenzijn. Behalve in onderlinge en externe competities was ik uitgekomen in een tweetal individuele wedstrijden. Daarvan was het Jeugdkampioenschap van Amsterdam 1962 een groot succes geworden: ik won het toernooi met een score van 19 uit 10, ver vóór spelers als Ruud Palmer, Henk Werner of Albert Pater.

Maar het aansluitende Jeugdkampioenschap van Noord-Holland 1963 was juist op een enorme deceptie uitgedraaid. Hoewel ik vier van de zeven partijen won, hadden mijn nederlagen tegen Govert Westerveld, Ruud Palmer en Kees Pippel tot gevolg dat ik zelfs niet in de buurt kwam van een klassering die recht gaf op deelname aan de landelijke finale. In dit verband verwijs ik graag naar pagina 441 (en verder) van Mijn Hollands Universum (Muiden 2023) waar ik, in de inleiding tot partij 10, onder meer op mijn hardhandige kennismaking met Kees Pippel reflecteer.

Een kleine drie maanden ná dat voor mij zo rampzalig verlopen Noord-Hollands Jeugdkampioenschap diende zich een nieuwe test aan. Het op 6 mei 1907 opgerichte GS, dat in mei 1957 ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan nog een sterk bezet internationaal toernooi had uitgeschreven (zie ook pagina 11 van Mijn eerste scalp), had - om welke reden ook - het 11 de lustrum (mei 1962) aan zich voorbij laten gaan. Wellicht om dit ‘verzuim’ goed te maken, werd er rond Pinksteren 1963 een Jeugdtoernooi gehouden. Het deelnemersveld van die achtkamp telde vier spelers van de organiserende vereniging (naast ondergetekende waren dat Herman van Westerloo, Dick Roelofs en Dick Klooster), aangevuld met vier ‘landelijke’ spelers, te weten Anton Schotanus (Leeuwarden), Fred Ivens (Den Haag), Jan Groeneveld (Zwolle) en Zeistenaar Adrie Bos.

Voor mij was dit het eerste ‘echte’ toernooi uit mijn carrière. Misschien staat men er gewoonlijk niet zo bij stil. Maar er is voor mijn gevoel een wezenlijk verschil tussen enerzijds een ‘toernooi’ waarvan de ronden alleen in de weekeinden of - erger nog - slechts eens per week worden afgewerkt (zoals onderlinge competities, stedelijke dan wel provinciale kampioenschappen óf - vooral - de halve finales van het nationale titeltoernooi), en anderzijds een toernooi dat uit meerdere aaneengesloten dagen bestaat.

Toegegeven: de eerste soort kán zijn charmes hebben voor hen die het weekeinde succesvol zijn doorgekomen. En natuurlijk helemáál voor hen die de eerste twee weekeinden als één grote triomftocht hebben ervaren! Ik weet waarover ik spreek. Want in het Nederlands Kampioenschap 1971 won ik niet alleen mijn eerste twee partijen (in het weekeinde van 20 en 21 maart versloeg ik - ondanks mijn bezoek aan het door Jan en Joke Wielaard georganiseerde, op pagina 759 van MHU-2 beschreven “Lentefeest” - zowel Sjoerd Visser als Frank Drost), maar óók die van het daarop volgende weekeinde tegen Geert van Dijk en Frans Hermelink!

Ik had toen ruim een week de tijd om van die 8 uit 4-score te genieten én om mij te verkneukelen om mijn partij tegen Evert Bronstring, mijn eerstvolgende opponent. Die zou ik namelijk, zo had ik besloten, met 1.35-30!? bestoken. Aldus geschiedde. En hoewel de partij totaal anders verliep dan ik mij op grond van een sneldampartijtje (Riga 1969) had voorgesteld, zodat ik uit de opening kwam met een stand die er welbeschouwd niet uitzag, kon ik zelfs na afloop van die vijfde ronde op een honderd procentscore bogen! Maar het tegenovergestelde heb ik óók meegemaakt. Zo rondde ik op (schrikkeldag!) 29 februari 1964 mijn debuut in het Kampioenschap van Amsterdam af met een met Lex den Doop gedeelde eerste plaats.

(Toevalligerwijze was ik ook in dát toernooi met 10 uit 5 uit de startblokken geschoten. Het verschil met 1971 was alleen dat ik na de zesde ronde nog steeds op 10 punten stond: mijn eerste ontmoeting met Wim Beeke, de oudere broer van Henk Beeke, had ik níét overleefd. Zie andermaal pagina 11 van Mijn eerste scalp.)

Meteen de volgende dag al, op zondag 1 maart 1964 dus, begon de barrage van - in principe - drie partijen. Die eerste partij verloor ik. En ik moest toen een volle week, namelijk tot zondag 8 maart, geduld oefenen eer ik überhaupt de kans zou krijgen mijn achterstand ongedaan te maken. Nog zie ik mijzelf na die nederlaag tegen Den Doop mistroostig op de tramhalte van lijn 13 op de hoek van de Rozengracht en de Marnixstraat staan, in gezelschap - even nog - van mijn clubgenoot en vriend Arthur Schuss. Die was zo goed geweest het hele eind vanaf het Van Nispenhuis via Stadhouders- en Nassaukade met mij mee te lopen, voordat hij zélf de tram naar het Centraal Station zou nemen en - ten slotte - de bus naar Tuindorp Oostzaan. Ook Schuss, wiens naam de lezers van MHU-1 niet onbekend zal vóórkomen, moet hebben aangevoeld dat ik géén leuke week tegemoet ging…

Het GS-Jeugdtoernooi 1963 nu behoorde - gelukkig! - tot de tweede soort. Het begon op vrijdag 31 mei en eindigde op maandag 3 juni. Behalve op de slotdag werden er dagelijks twee ronden afgewerkt, waarbij ik gemakshalve aanneem dat het speeltempo - zoals destijds immers gebruikelijk was - vijftig zetten in twee uur bedroeg. Ik had mijn eerste drie partijen gewonnen (van achtereenvolgens Klooster, Van Westerloo en Roelofs) toen ik in de middag- c.q. avondronde van zaterdag 1 juni tegen Anton Schotanus moest aantreden.

De op 4 januari 1943 te Leeuwarden geboren Anton Schotanus, die ten tijde van het Jeugdtoernooi derhalve (al) twintig was en daarmee tot de oudste deelnemers behoorde (alleen Herman van Westerloo [1941] was nóg ouder), behoeft nauwelijks bij de lezer te worden geïntroduceerd. Velen, ouderen zowel als jongeren, zullen hem kennen. Bijvoorbeeld van zijn tijd als voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Dambond (1989-1998). Maar toch ook en vooral gewoon als dammer. Want Schotanus is inmiddels al meer dan 65 jaar actief als wedstrijddammer: zijn oudste partij - ik ga uiteraard op de database af - dateert van februari 1959(!), zijn meest recente (competitie)partij: een vrijwel gelijkwaardige puntendeling met voormalig NK-finalist Steven Wijker, is nog maar anderhalve week(!!) oud op het moment dat ik de laatste hand aan dit artikel leg…

In die tussenliggende 66, bijna 67 jaar nam Schotanus zesmaal deel aan het Nederlands Kampioenschap: in 1968, 1971-1972, 1975 en 1988-1989. Daarbij boekte hij doorgaans resultaten die gezien mochten worden, zoals de vijftig procentscores bij zijn eerste drie NK- deelnames of - vooral - de 12 uit 11 in 1975.

Ook verwierf Schotanus faam als correspondentiedammer, een discipline waarin hij driemaal Nederlands kampioen werd en éénmaal zelfs wereldkampioen! Het 19 deelnemers tellende dubbelrondige(!) monstertoernooi waarin die mondiale troonsbestijging haar beslag kreeg, zou weliswaar pas in 1988 tot een einde komen maar was al vijf jaar eerder begonnen. Ik herinner mij dat nog goed, want het was na afloop van onze competitiepartij van 10 september 1983 - waarin Schotanus mij een pijnlijke combinatieve nederlaag had toegebracht!; zie (alweer) deel 1 van MHU - dat hij mij de fraaie tactische winst demonstreerde die hij in zijn zwartpartij tegen Frits Luteijn had geboekt.

Overigens was ik bij lange na niet de enige hoger gerate speler die in zijn ontmoeting(en) met Schotanus het onderspit moest delven. Zo versloeg Schotanus onder anderen Jannes van der Wal (Fries kampioenschap 1974) en Gantwarg (Turkstra-toernooi 1968). En hij won liefst vier partijen van Harm Wiersma! (Er stonden vanzelfsprekend - evenals in de zojuist genoemde gevallen - de nodige verliespartijen tegenover.) Schotanus klopte Wiersma niet alleen in diens beginjaren, zoals in 1965 (2x) en in 1966, maar óók in 1970, toen Wiersma al hoog en breed tot de sterkste spelers ter wereld behoorde!

Zoals gezegd: voor de vierde ronde stond het treffen met Anton Schotanus op het programma. Het zou een principieel, interessant én buitengewoon inhoudrijk duel in de halve hekstelling worden, een partij die - uiteraard - niet honderd procent foutloos was maar waarin het aantal serieuze misgrepen toch tot een minimum beperkt bleef. Wat misschien des te verrassender was omdat het voor mij de allereerste halve hekstellingpartij uit mijn carrière betrof! Eigenlijk was er, zoals de computergestuurde analyse aan het licht brengt, maar één werkelijke fout van Schotanus voor nodig om een gelijkwaardige middenspelstand (14x14) om te buigen in een stelling van wederzijds twaalf schijven waarin het evenwicht definitief verbroken bleek.

Tot slot dít. Waar het concrete middenspel- en eindspelvarianten betreft, leunt deze partijbespreking zwaar op de analyse die ik in het tweede decennium van deze eeuw schreef voor eerdere versies van mijn damtechnische autobiografie: aanvankelijk “Plan-F” (dat begroot was op 22 delen van elk 25 partijen…), later “Plan-K” (10 delen, 30 partijen). Zoals bekend hebben al die luchtspiegelingen uiteindelijk plaats moeten maken voor “Plan-P”, het - misschien niet eens heel veel minder megalomane - project dat de Hollandse Opening en de interessantste van haar vele verschijningsvormen centraal stelt. Enfin - zie Mijn Hollands Universum, waarvan de delen 1 (najaar 2023) en 2 (zomer 2025) inmiddels daadwerkelijk het levenslicht hebben mogen aanschouwen.

Nu doet het loutere feit dat we hier met “oud werk” te maken hebben, naar mijn overtuiging in het geheel niets af aan het (eventuele) belang van het onderhavige artikel; dit simpelweg omdat dat werk tot op heden nog nimmer aan de openbaarheid was prijsgegeven! Dat gold trouwens evenzeer voor de analyse van de onderlinge partij Sijbrands-J.H. Beeke 1963, het duel dat het onderwerp van mijn vorige bijdrage aan Damkunst (“Mijn eerste scalp”) vormde. Ook dat betrof, hoewel in een eerder decennium geschreven, niets minder dan een “eerste publicatie”.

Maar met betrekking tot Sijbrands-Schotanus 1963 durf ik zelfs te stellen dat we, óók ten opzichte van de (ongepubliceerde) analyse uit 2010 of 2014, met een gloednieuwe bespreking van doen hebben! En dat heeft alles met het verschil tussen toen en nu te maken. Destijds - laten we gemakshalve zeggen zo’n jaar of tien, vijftien geleden - meende ik nog volop de kans te zullen krijgen mijn gedachten over de 1.34-30-opening te laten gaan. Tenslotte maakten ook mijn (wit)partijen tegen achtereenvolgens Ramdeo Ramcharan en Kees Pippel (beide 1970), Wim van der Kooij en Ndiaga Samb (beide 1999), Gerrit de Bruijn (2007) en Cees Strooper (2009) deel uit van “Plan-K”. Dus waarom zou ik dan al bij de allereerste partij waarin de variant 1.34-30 20-25 2.30-24 19x30 3.35x24 op het bord kwam, breed uitpakken over (bijvoorbeeld) alle constructieve alternatieven die zwart voor het door Schotanus gespeelde 3…18-23 ten dienste staan? Het was toch veel logischer om dat pas te doen bij díé partijen waarin mijn tegenstanders daadwerkelijk voor 3…18-22 (Ramcharan; Pippel; Strooper), voor 3…17-21 (Van der Kooij) of voor 3…16-21 (Samb) kozen? De vraag stellen was haar beantwoorden.

Anno 2025, 2026 daarentegen is er weinig of geen zicht op dat ik, hoe graag ik het ook zou willen, ooit nog aan een boek zal toekomen dat in zijn geheel aan de 1.34-30-opening is gewijd. Tijd en energie zijn immers niet onuitputtelijk. En het MHU-project waarop ik voorjaar 2018 fors heb ingezet (zie voor mijn beweegredenen het “Bericht aan de lezer” in deel 1), heeft nu eenmaal prioriteit. Vandaar dat ik de gelegenheid te baat heb genomen om, als betrof het een soort damtechnisch testament(je), aan de hand van het onderhavige duel alsnog mijn inzichten en - ongetwijfeld hoogst subjectieve - voorkeuren inzake de 1.34-30- én de 1.35-30-opening met de lezer te delen.